Geschiedenis

De geschiedenis van Bonn & Mees omvat een lange en bijzondere historie. Het was in 1888 toen het bedrijf startte uit een oorspronkelijk in Katendrecht gevestigde onderneming, die de scheepsbouwer J. Smit Czn in 1869 aldaar oprichtte als zusteronderneming van haar scheepswerf in Alblasserdam.

In 1883 komen wij de heer H.J. Bonn al tegen in een commissie van vooraanstaande personen uit de Rotterdamse scheepvaartkringen die tot doel had de oprichting van een bergingsmaatschappij. De voornaamste reden was de frequentie van de aanvaringen tussen koopvaardijschepen op de Nieuwe Maas en Nieuwe Waterweg. Een blokkade van de vaarwegen zou het economische belang van Rotterdam als zeehaven nadelig kunnen beïnvloeden.

Toch duurde het tot 1887 toen de Bergingsmaatschappij te Maassluis daadwerkelijk gestalte kreeg en waarvan de heer h.J. Bonn als één der commissarissen werd aangesteld. In 1923 zou de onderneming overgaan naar Tak's Bergingsbedrijf. De heer H.J. Bonn, die als zwager van de heer J. Smit Czn de scheepswerf al geruime tijd leidde, associeerde zich in 1888 met de heer J. Mees Mzn, van huis uit bankier. Hij gaf daarmee voldoende Image9financieel draagvlak om samen met de heer H.J. Bonn de scheepswerf over te nemen. Gelijktijdig moest door ruimtegebrek op Katendrecht uitgekeken worden naar een andere locatie. Deze werd gevonden op het Charloisse Hoofd. In een schrijven van de Gemeente Rotterdam werd de erfpacht van de werfkavel van de heer J. Smit Czn overgeschreven naar de heer H.J. Bonn.

Ofschoon bescheiden van capaciteit, werd er toch een respectabel aantal zeeschepen gebouwd. De rederijen Koninklijke Rotterdamsche Lloyd en Holland-Amerika-Lijn (NASM) behoorden tot de belangrijkste opdrachtgevers van de werf.

Toch kon de onderneming, één van de 31 scheepswerven in de Rotterdamse regio, met in totaal 113 hellingen en 15 drijvende droogdokken, de malaise van de dertiger jaren moeilijk de baas.De bouw van de Maastunnel, waaraan in juni 1937 werd begonnen, hield in dat de werf wederom zou moeten worden verplaatst. Dit betekende in 1931 het einde van het bestaan van de werf. Doch ondanks de beëindiging van de scheepswerf bleef de op 16 oktober 1916 opgerichte N.V. Drijvende Bokken v/h Bonn en Mees overeind. Het was de heer Pieter Leenheer, scheepsbouwkundig verbonden aan de scheepswerf Bonn & Mees, die met een startkapitaal van fl. 8000,- de drijvende bok 1 van de Nieuwe Bergingsmaatschappij te Maassluis overnam. De drijvende bokken no. 2 en 3 volgden enige tijd later.

In de loop der jaren werden de oudere drijvende bokken 1,2 en 3 die voorheen uitgerust waren met handlieren en minimaal door 6 lieden bediend moesten worden, vervangen voor de bokken Pionier en de Goliath. De komst van de bekende zeegaande bokken Matador en Matador 2 betekende wederom een stuk modernisering en daarmee een grote capaciteit in hijsvermogen. De sleepboot Pieter L, werd in 1964 aan de vloot toegevoegd om de 400 tons zeegaande drijvende bokken Matador en Matador 2 te kunnen slepen.

In februari 2002 werd het contract voor de "Matador 3" getekend. De bok, geheel ontworpen door Vuyk Engeneering, is deels bij de Koreaanse werf van Daewoo in Roemenië geconstrueerd. Deze werf heeft de ponton met opbouw gemaakt en daarna versleept naar Rotterdam. Na acht maanden intensieve arbeid is de "Matador 3" op 30 augustus 2002 gedoopt.